De regeling van de belastingaangifte voor mandatarissen hangt af van de al dan niet uitvoerende rol van hun mandaat.

IN HET KORT

De regeling van de belastingaangifte voor mandatarissen hangt af van de al dan niet uitvoerende rol van hun mandaat.

In beide gevallen moeten mandatarissen de ontvangen beroepsinkomsten, in de vorm van een wedde of presentiegeld, aangeven via een fiche die de gemeentelijke overheid bezorgt.

Om hun beroepskosten aan te geven, kunnen ze al hun werkelijke kosten indienen, met een wettelijk forfait werken of – voor uitvoerende mandatarissen – met een bijzonder forfait werken.

Het presentiegeld wordt aangegeven via de fiscale fiche 281.30. Aan het eind van deze fiche is een toelichtende versie te vinden.


WETTELIJKE BASIS

  • Wetboek van de inkomstenbelastingen (hierna ‘WIB 92’), te raadplegen op be
  • Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna ‘KB/WIB 92’), te raadplegen op be

TOELICHTING

1. PRESENTIEGELD

De+ze fiche gaat uitsluitend over de fiscale behandeling van presentiegeld. Voor meer algemene uitleg verwijzen we naar onze praktische fiche over presentiegeld.

Presentiegeld wordt beschouwd als baten volgens artikel 27, tweede lid, 6° van het WIB 92.

Baten zijn alle inkomsten uit een vrij beroep, een ambt of post en alle niet als winst of als bezoldigingen aan te merken inkomsten uit een winstgevende bezigheid. Daaronder vallen onder andere de vergoedingen van de leden van raden[1].

Presentiegeld is dus een beroepsinkomen dat onderworpen is aan de personenbelasting[2] en aangegeven moet worden in de belastingaangifte. Dit gebeurt op basis van fiscale fiche 281.30.

Het model voor aanslagjaar 2024 is hier te vinden. Andere aanslagjaren zijn te vinden op deze link.

Het aan te geven bedrag (vak 6, punt a, van fiche 281.30) is het bruto belastbaar bedrag van het presentiegeld, verhoogd met de terugbetalingen van verplaatsingskosten en andere kosten.

 Het bedrag dat ingevuld moet worden bij ‘vrijstelling’ is het bedrag van de vrijstelling waarmee rekening gehouden werd voor de bepaling van de bedrijfsvoorheffing.

De terugbetalingen van kosten die in de belastbare inkomsten opgenomen zijn (vak 9 van fiche 281.30) en die hierboven aangegeven zijn, moeten eveneens vermeld worden, meer bepaald de aard en het totaalbedrag ervan.

In vak 10 vermeldt men meer bepaald de bedrijfsvoorheffing die toegekend werd of effectief ingehouden werd op de uitbetaalde inkomsten, evenals de bedrijfsvoorheffing die eventueel door de schuldenaar van de inkomsten gedragen werd en die in het bruto belastbare bedrag van de inkomsten opgenomen is.

Het bedrag van deze bedrijfsvoorheffing hangt af van verschillende factoren, die jaarlijks herzien worden bij koninklijk besluit[3].

Zoals hierboven vermeld, wordt presentiegeld beschouwd als een vergoeding (die toevallig of periodiek en bijkomstig betaald wordt). Het is dus als volgt fiscaal onderworpen aan de schijven en percentages van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing[4]:

Bedrag van het presentiegeldPercentage van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op het totaalbedrag van het presentiegeld
<500€27,25%
Van 500,01 tot 650€32,30%
>650€37,35%

Op het vlak van sociale zekerheid is een specifieke vrijstelling voorzien voor het presentiegeld van raadsleden met een handicap. Deze vrijstelling heeft een rechtstreekse impact op sociale uitkeringen maar mogelijk ook op de beroepsinkomsten en dus op de fiscale behandeling ervan. Meer informatie is te vinden in onze fiche.

Een volledige toelichting bij fiche 281.30 is te vinden op fisconetplus.be.

2. HUN BEROEPSKOSTEN

Raadsleden kunnen kiezen hoe de beroepskosten die ze maken om hun presentiegeld te krijgen of te behouden, in aanmerking genomen worden:

  • via een wettelijk forfait; of
  • door de werkelijke kosten aan te geven.

Met het wettelijk forfait hoeven zij niet alle gemaakte kosten te bewijzen. Dat forfait wordt berekend per inkomensschijf op basis van het totaalbedrag van het presentiegeld dat ze per jaar ontvangen.

Voor aanslagjaar 2025 (inkomsten 2024)[5]:

InkomensschijvenPercentage kosten
<7.310€28,7%
7.310-14.520€10%
14.520-24.160€5%
>24.160€3%

 

Het aftrekbare bedrag mag voor 2025 echter niet hoger zijn dan 5.050 euro, tenzij in geval van cumul van mandaten.

Voor de aftrek van de werkelijke kosten moet het raadslid bewijzen dat:

  • deze kosten effectief gemaakt zijn;
  • het raadslid ze zelf betaald heeft;
  • de kosten noodzakelijk waren voor de uitoefening van het mandaat.

Bekijk de fiche


REFERENTIES

  • Rechtsleer
  • Mendola, Le statut des mandataires locaux, Union des Villes et des Communes de Wallonie, 2e ed., 2024.

[1] Normaal gezien bepaalt het WIB 92 dat baten de vergoedingen van de leden van de provincieraden omvatten. Via een parlementaire vraag heeft de Kamer echter beslist om deze bepalingen uit te breiden naar gemeenteraden (Vraag nr. 551 van S. Verherstraeten van 6 december 2004, V.A., Kamer, 2004-2005, pp. 12558-12560), te raadplegen op de website van de Kamer.

[2] Art. 23, §1, 2° van het WIB 92.

[3] Bijlage III van het KB/WIB 92, te raadplegen op fisconetplus.be.

[4] Bijlage III van het KB/WIB 92, deel 3, hoofdstuk 6, afdeling 5.

[5] Art. 51, tweede lid, 4°, WIB 92; voor aanslagjaar 2025 bedraagt de indexatiecoëfficiënt 1.9484 (Bericht in verband met de automatische indexering inzake inkomstenbelastingen – aanslagjaar 2025, beschikbaar op fisconetplus.be).