Titel XIV : De tuchtregeling (art. 281 tot 316)

I - Toepassingsgebied
II - De strafbare feiten
III - De tuchtstraffen
IV - De bevoegde overheid
V - De procedure
VI - De doorhaling van de tuchtstraf
VII - De preventieve schorsing
VIII - De verjaring van de tuchtvordering



Hoofdstuk I Toepassingsgebied


[art. 281

De bepalingen van deze titel zijn toepasselijk op alle leden van het gemeentepersoneel, met uitzondering van het personeel dat in dienst is genomen [bij een arbeidsovereenkomst, van het personeel bedoeld in de wet 13.05.1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en van het personeel (W. 27.12.2000, B.S. 6.1.2001)] bedoeld in [art. 24 van de Grondwet (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)]. (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Hoofdstuk II De strafbare feiten 


[art. 282

De tuchtstraffen vermeld in art. 283 kunnen opgelegd worden wegens: 

  1. tekortkomingen aan de beroepsplichten
  2. handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen
  3. overtreding van het verbod bedoeld in de art. 27, 68, par. 1, [(opgeheven) (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)] [en 153 (…) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]. (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Hoofdstuk III De tuchtstraffen


[art. 283

De volgende tuchtstraffen kunnen aan de personeelsleden van de gemeente worden opgelegd:

  1. lichte straffen:
    • de waarschuwing;
    • de berisping;
  2. zware straffen:
    • de inhouding van wedde;
    • de schorsing;
    • de terugzetting in graad;
  3. maximumstraffen:
    • het ontslag van ambtswege;
    • [de afzetting (Ord. 15.3.2012, B.S. 28.3.2012)]. (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

[art. 284

[De inhouding van wedde is ten hoogste drie maanden van toepassing en mag niet meer bedragen dan de inhouding waarin voorzien in art. 23, tweede lid, van de wet 12.04.1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)]. 

De gemeente garandeert aan de betrokkene een nettowedde gelijk aan het bedrag van [het leefloon zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)]. 

In geval van deeltijdse prestaties wordt dit bedrag evenredig met de omvang van de prestaties beperkt. (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

[art. 285

De schorsing bij wijze van straf wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden. 

De schorsing bij wijze van straf heeft, zolang zij duurt, verlies van wedde tot gevolg. [Dit verlies van wedde mag niet meer bedragen dan het verlies waarin voorzien in art. 23, tweede lid, van de wet 12.04.1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Ord. 17.07.2003, B.S. 7.10.2003)]. 

De gemeente garandeert aan de betrokkene een nettowedde gelijk aan [het bedrag van het leefloon zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)]. 

In geval van deeltijdse prestaties wordt dit bedrag evenredig met de omvang van de prestaties beperkt. (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

[art. 286

De terugzetting in graad bestaat in de toekenning van een graad waaraan een lagere weddeschaal verbonden is of die in de hiërarchie een lagere rang inneemt. 

In ieder geval moet de graad waarin de terugzetting plaats heeft, voorkomen in de hiërarchische rangschikking van de graden van de personeelsformatie waartoe de betrokkene behoort. 

De terugzetting in graad is niet van toepassing op de gemeentesecretaris, de adjunct-secretaris, de [gemeenteontvanger (opgeheven) (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)], [en de bijzondere rekenplichtige W.13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]. (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Hoofdstuk IV De bevoegde overheid  (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] 

Afdeling 1 Algemene bepalingen (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]


[art. 287

§ 1 Op verslag van de gemeentesecretaris kan de gemeenteraad aan de door de gemeente bezoldigde personeelsleden, wier benoeming aan de gemeenteoverheid opgedragen is, de tuchtstraffen vermeld in art. 283 opleggen. 

Voor de secretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger, [en de bijzondere rekenplichtige (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]. dient het opleggen van straffen niet op verslag van de gemeentesecretaris te gebeuren. 

§ 2 Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18.07.1966:

  1. worden de beslissingen houdende schorsing voor drie maanden, terugzetting in graad, ontslag van ambtswege of afzetting onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad; zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd;
  2. mag de bestendige deputatie van de provincieraad, wanneer de titularis van een bediening bezwaar inbrengt tegen een besluit van de gemeenteraad tot opheffing van deze bediening of tot vermindering van de eraan verbonden wedde, aan die beslissing alleen haar goedkeuring onthouden voor zover de genomen maatregelen klaarblijkelijk strekken tot een bedekte afzetting.

De gemeenteraad en het benadeelde personeelslid kunnen binnen veertien dagen na de kennisgeving die hen ervan wordt gedaan, tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep instellen bij de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, of bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18.07.1966. 

§ 3 Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de provincie-gouverneur de in par. 2, eerste lid, 1en 2 , bedoelde bevoegdheden van toezicht uit, overeenkomstig de art. 267 tot en met 269. 

De gemeenteraad en het benadeelde personeelslid kunnen bij de Gewest-executieve beroep instellen tegen de beslissing van de gouverneur, binnen veertien dagen na de kennisgeving die hen ervan wordt gedaan. (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

[art. 288

Op verslag van de gemeentesecretaris kan het college van burgemeester en schepenen aan de door de gemeente bezoldigde personeelsleden, wier benoeming aan de gemeenteoverheid opgedragen is, de tuchtstraffen waarschuwing, berisping, inhouding van wedde en schorsing voor een termijn van ten hoogste één maand opleggen. 

Het eerste lid is niet van toepassing op de secretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger, [en de bijzondere rekenplichtige (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)] (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

[Afdeling 2. – (opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]


[art. 289

De gemeentesecretaris kan aan de door de gemeente bezoldigde personeelsleden, wier benoeming aan de gemeenteoverheid opgedragen is, de tuchtstraffen waarschuwing en berisping opleggen. 

Het eerste lid is niet van toepassing op de adjunct-gemeentesecretaris en de gemeenteontvanger.

De gemeentesecretaris brengt het college op de hoogte van zijn voornemen om een tuchtprocedure zoals bepaald in het eerste lid op te starten. 

De gemeentesecretaris kan de procedure pas opstarten nadat het college akte heeft genomen van zijn voornemen. Het college kan aldus, in voorkomend geval, gebruik maken van de in art. 288 bepaalde procedure. 

De beslissingen van de gemeentesecretaris bedoeld in het eerste lid worden formeel gemotiveerd en onmiddellijk ter kennis van het college gebracht (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)]. 

art. 290 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

art. 291 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

art. 292 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

art. 293 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

art. 294 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

art. 295 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

art. 296 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

art. 297 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]

Afdeling 3 Bepaling betreffende de gewestelijke ontvanger 


art. 298 (opgeheven)
[(Ord. 17-7-2003, B.S. 7-10-2003)]

Hoofdstuk V De procedure 


art. 299
(W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Geen enkele tuchtstraf mag worden opgelegd dan nadat het personeelslid in zijn middelen van verdediging gehoord is over alle feiten die hem ten laste gelegd worden door de overheid die haar uitspreekt. 
[(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)].

Tijdens het verloop van de procedure mag de betrokkene zich laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze. 

art. 300 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de tuchtoverheid een tuchtdossier samen.Het tuchtdossier bevat alle stukken die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten. 

art. 301 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Ten minste twaalf werkdagen voor zijn verschijning wordt de betrokkene opgeroepen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door afgifte van de oproepingsbrief tegen ontvangstbewijs. 

De oproeping dient melding te maken van:

  1. al de ten laste gelegde feiten;
  2. het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd;
  3. plaats, dag en uur van de hoorzitting;
  4. het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze;
  5. de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien;
  6. het recht van de betrokkene de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, indien hij voor de gemeenteraad dient te verschijnen;
  7. het recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor.

art. 302 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Vanaf de oproeping om voor de tuchtoverheid te verschijnen tot en met de dag voor de dag van verschijning kunnen de betrokkene en zijn verdediger het tuchtdossier raadplegen en desgewenst de verdedigingsmiddelen schriftelijk mededelen aan de tuchtoverheid. 

[Op verzoek van de comparant, wordt een kopie van het tuchtdossier toegezonden aan de betrokkene of zijn verdediger, per aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)]. 

art. 303 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft. 

Indien het proces-verbaal op het einde van de hoorzitting wordt opgemaakt, wordt er onmiddellijk voorlezing van gedaan en wordt de betrokkene verzocht het te ondertekenen. 

Indien het proces-verbaal na de hoorzitting wordt opgemaakt, wordt het binnen acht dagen na de hoorzitting aan de betrokkene medegedeeld met verzoek het te ondertekenen. 

In elk geval kan de betrokkene bij de ondertekening voorbehoud formuleren; indien hij weigert te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt. 

Indien de betrokkene schriftelijk afstand heeft gedaan van de hoorzitting, maakt de tuchtoverheid al naar gelang het geval een proces-verbaal van afstand of van niet-verschijnen op. 

Het proces-verbaal van de hoorzitting, van afstand of van niet-verschijnen bevat de opsomming van alle door de wet vereiste procedurehandelingen en vermeldt bij iedere handeling of ze verricht is. 

art. 304 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

De tuchtoverheid kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkene of van zijn verdediger getuigen [of experts (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] horen. 

In dat geval heeft het verhoor van de getuigen [of experts (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] plaats in aanwezigheid van de betrokkene en, op diens verzoek en met instemming van de tuchtoverheid, in het openbaar. 

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. 

art. 305 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

§ 1 De tuchtoverheid doet binnen [drie (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] maanden na het afsluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting, van afstand of van niet-verschijnen, uitspraak over de op te leggen tuchtmaatregel. 

Indien geen uitspraak wordt gedaan binnen voormelde termijn, wordt de tuchtoverheid geacht af te zien van vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd. 

§ 2 [De leden van de gemeenteraad of van het college van burgemeester en schepenen die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren, mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)]. 

§ 3 De beslissing waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd, wordt naar de vorm met redenen omkleed. 

art. 306 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Ingeval de gemeenteraad bevoegd is om een tuchtstraf op te leggen, wordt de hoorzitting in het openbaar gehouden, indien de betrokkene hierom verzoekt. 

art. 307 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Van de met redenen omklede beslissing wordt zonder verwijl kennisgegeven aan de betrokkene, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door overhandiging tegen ontvangstbewijs. 

Wordt van de beslissing geen kennis gegeven binnen de termijn van tien werkdagen, dan wordt ze als ingetrokken beschouwd. Tuchtvervolging voor dezelfde feiten kan niet worden ingesteld. 

In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend kunnen worden. 

art. 308 [(opgeheven) (W. 13.5.1999, B.S. 16.6.1999)].

Hoofdstuk VI De doorhaling van tuchtstraf


art. 309
(W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Onverminderd hun uitvoering worden de tuchtstraffen waarschuwing, berisping en inhouding van wedde van ambtswege in het persoonlijk dossier van de personeelsleden doorgehaald, na verloop van een termijn waarvan de duur is vastgesteld op:

  1. 1 jaar voor de waarschuwing;
  2. 18 maanden voor de berisping;
  3. 3 jaar voor de inhouding van wedde.

Onverminderd hun uitvoering kunnen de tuchtstraffen schorsing en terugzetting in graad, op verzoek van de betrokkene, doorgehaald worden door de overheid die ze heeft uitgesproken na verloop van een termijn waarvan de duur is vastgesteld op:

  1. 4 jaar voor de schorsing;
  2. 5 jaar voor de terugzetting in graad.

De tuchtoverheid kan de doorhaling, bedoeld in het tweede lid, alleen weigeren indien nieuwe gegevens aan het licht gekomen zijn die van aard zijn dergelijke weigering te rechtvaardigen. 

De in het eerste en tweede lid vastgestelde termijn loopt vanaf de datum waarop de tuchtstraf werd uitgesproken.

Hoofdstuk VII De preventieve schorsing 


art. 310 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Wanneer een personeelslid strafrechtelijk of tuchtrechtelijk vervolgd wordt en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de betrokkene preventief geschorst worden bij wijze van ordemaatregel. 

art. 311 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

De overheid bevoegd om een tuchtstraf op te leggen is ook bevoegd om preventief te schorsen. 

In afwijking van het eerste lid is zowel het college van burgemeester en schepenen als de gemeenteraad bevoegd om de secretaris, de adjunct-secretaris, de plaatselijke ontvanger en de bijzondere rekenplichtige preventief te schorsen. 

Elke door het college van burgemeester en schepenen uitgesproken preventieve schorsing vervalt dadelijk, indien zij door de gemeenteraad in de eerstvolgende vergadering niet wordt bekrachtigd. 

[art. 311bis

In dringende gevallen, kan de preventieve schorsing door de gemeentesecretaris als tuchtmaatregel worden uitgresproken. In de periode die aan de bekrachtiging door het college voorafgaat, behoudt het betrokken personeelslid zijn loon (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)]. 

art. 312 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

§ 1 De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van ten hoogste [een jaar (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)]. 

In geval van strafrechtelijke vervolging kan de overheid deze termijn voor perioden van ten hoogste [een jaar (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)] verlengen zolang de strafrechtelijke procedure duurt, mits inachtneming van de procedure bedoeld in art. 314. 

§ 2 Indien binnen voormelde termijn geen tuchtstraf wordt opgelegd, vervallen alle effecten van de preventieve schorsing. 

art. 313 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Wanneer het personeelslid strafrechtelijk of tuchtrechtelijk vervolgd wordt, kan de overheid die de preventieve schorsing uitspreekt, beslissen dat die schorsing een inhouding van wedde en een ontzegging van de bevorderingsaanspraken in zich houdt. 

De inhouding van wedde mag niet meer dat de helft ervan bedragen. 

De gemeente waarborgt aan de betrokkene een nettowedde gelijk aan het bedrag van [het leefloon zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (Ord. 17.07.2020, B.S. 30.07.2020)]. 

In geval van deeltijdse prestaties wordt dit bedrag evenredig met de omvang van de prestaties beperkt. 

art. 314 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Vooraleer de overheid een preventieve schorsing kan uitspreken, dient zij de betrokkene te horen overeenkomstig de procedure bedoeld in hoofdstuk V, met dien verstande dat de in art. 301 bepaalde termijn van twaalf werkdagen teruggebracht wordt tot vijf werkdagen. 

In hoogdringende gevallen kan de overheid de preventieve schorsing onmiddellijk uitspreken, onder de verplichting de betrokkene na de uitspraak onverwijld te horen overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde procedure. 

art. 315 (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

Van de beslissing, waarbij de preventieve schorsing wordt uitgesproken, wordt zonder verwijl aan de betrokkene kennis gegeven, hetzij bij ter post aangetekende brief hetzij door overhandiging tegen ontvangst- bewijs. 

Wordt van de beslissing geen kennis gegeven binnen de termijn van tien werkdagen, dan wordt ze als ingetrokken beschouwd. Voor dezelfde feiten kan geen preventieve schorsing worden uitgesproken. 

art. 316

Indien aan de tuchtstraf een preventieve schorsing met behoud van de volledige wedde voorafgaat, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt. Indien, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde en ontzegging van de bevorderingsaanspraken, de tuchtstraf waarschuwing of berisping opgelegd wordt, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; de preventieve schorsing wordt als ingetrokken beschouwd en de ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. 

Indien in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van wedde en ontzegging van de bevorderingsaanspraken, de tuchtstraf inhouding van wedde, schorsing, terugzetting in graad, ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt, dan heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan; het bedrag van de tijdens de preventieve schorsing ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf; indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.

Hoofdstuk VIII De verjaring van de tuchtvordering  (W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]


art. 317
(W.. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt. 

[Wanneer het besluit van de tuchtoverheid wordt vernietigd door de Raad van State dan wel wordt vernietigd of niet wordt goedgekeurd door de toezichthoudende overheid, kan de tuchtoverheid vanaf de kennisgeving van het arrest van de Raad van State of van het besluit van de toezichthoudende overheid, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in het eerste lid bedoelde termijn dat overbleef bij het instellen van die vervolging (W. 22.5.2001, B.S. 28.6.2001)]. 

Laatste bijwerking

16.10.2020
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links